KEITH JARRETT - Tokyo '98 - (ECM) 
CHICK COREA - Origin (Stretch Records) 
GERI ALLEN - The Gathering (Verve) 

Een ezel stoot zich in het algemeen niet twee keer aan dezelfde steen. Misschien moet ik me maar troosten met de gedachte dat een ezel niet erg muzikaal is. Want tot drie keer toe liet ik me tijdens het draaien van Keith Jarrett’s cd Tokyo ‘98 verleiden om mijn hoofd uit het raam te steken. Nieuwsgierig naar wat of wie er op straat voorbij gekreund kwam. Het was steeds weer Jarrett zelf die achter de vleugel gromde en bromde als vanouds.
Er zijn mensen die beweren dat de pianist met opzet die geluiden maakt omdat dat wel interessant staat. Het zou kunnen, het past bij de excentrieke en nogal arrogante man. Of het interessant is, is discutabel. Het leidt op zijn minst erg af van waar hij werkelijk mee bezig is: met het maken van prachtige muziek. Want die kunst kan hem niet worden ontzegd.
Samen met bassist Gary Peacock en drummer Jack DeJohnette speelde Jarrett op 30 maart 1996 in Japan en van dat concert zijn de mooiste tachtig minuten (!) op dit album gezet. Het is bij lange na niet het eerste live-album van de pianist en zeker ook niet het beste (want dat blijft Kšln Concerts, hoewel een aantal dicht in de buurt komt), maar deze cd is wel een aangename aanvulling op de verzameling van de liefhebber. Vooral vanwege het repertoire. I’ll remember April, Billie’s Bounce, Mona Lisa of Autumn Leaves zijn immers niet de nummers die je meteen associeert met Jarrett. Het grappige is - en daarmee toont hij zijn kracht - dat de pianist de standards speelt als echte ‘Jarrett-stukken’; een beetje dromerig, erg romantisch, zeer virtuoos, fysiek één met de vleugel.
Gedurende een hele korte periode leek Chick Corea dezelfde kant op te gaan als Jarrett, maar toen koos deze pianist voor een vrijage met de rockjazz en kwam daardoor later met een eigen stem in de brede stroming van de moderne jazz terecht. Zijn nieuwste cd Origin is daar een aangenaam klinkend voorbeeld van. Met Bop Sheppard en Steve Wilson heeft Corea twee breed inzetbare blazers in zijn sextet, waarin voorts Steve Davis trombone speelt. Door de afwisselende kleuring van fluiten, saxen en klarinetten blijft het album het volle uur meer dan beluisterbaar, zonder nu meteen tot de categorie hoogvliegers te moeten worden gerekend.
Van Geri Allen verscheen haar eerste cd sinds ze voor Verve tekende: The Gathering. Allen wordt vaak - zeker naast de beide genoemde pianisten - een jong talent genoemd. Niettemin is ze al 41, begeleidde ze reeds grote artiesten als Betty Carter en Dewey Redman, en speelde ze met befaamde ritmetandems als Charlie Haden/Paul Motian en Ron Carter/Tony Williams. Bovendien heeft ze een degelijke volwassen stijl ontwikkeld, die bij uitstek van haarzelf is (en een beetje van bassist Buster Williams die op deze cd een berenpartij speelt).
Allen heeft een variabele groep om zich heen verzameld; trio’s in verschillende instrumentaties wisselen af met sextetstukken, met onder anderen trombonist Robin Eubanks , trompettist Wallace Roney en de bij Corea al genoemde rietblazer Lenny White. Een allesoverheersend vormgevoel, een boeiende verteltrant en een eigentijdse groove is wat deze musici met elkaar verbindt.
Daarbij de gedurfde opvatting van Allen gevoegd en haar melodische vindingrijkheid, en er ontstaat een bijzonder geheel dat ervoor zorgde dat van de drie albums deze vanaf de eerste noot het meeste van mijn aandacht trok. En dat ook bleek te verdienden.
© Jan Rensen, 19 augustus 1998