Tony Overwater - Up close (Turtle Records)
Dit wordt de derde opeenvolgende jazzrubriek dat ik over tenorsaxofonist Yuri Honing kom te schrijven. Het is toeval in de zin dat ik het niet heb uitgekozen dat er zo kort op elkaar drie cd's verschijnen waarop hij te horen is. Het is zeker geen toeval dat hij op meerdere cd's te horen is, en het is zeker geen toeval dat ik om herhaling van zetten te voorkomen een cd maar eens een weekje laat liggen. Want Honing is echt het allerbeste wat de huidige jazzgeneratie van ons land te bieden heeft. Gelet op het niveau van de Nederlandse jazz wil dat zeggen dat hij de potentie heeft een internationale ster te worden. Nu ,,alleen nog'' het Amerikaanse chauvinisme overwinnen. Wat zoveel wil zeggen als: hij moet Amerikaan worden.
Het gaat ditmaal om het opmerkelijke album Up close  (Turtle Records) van bassist Tony Overwater. Het is een solo-cd met begeleiding van Yuri Honing in twee, en tenorist/basklarinettist Maarten Ornstein in vijf van de tien stukken. Overwater is een musicus die van esthetiek houdt. Alles moet ,,mooi'' zijn en dus stelt hij ook de hoogste eisen aan geluidskwaliteit. De akoestische opname in de Doopsgezinde Kerk in Amsterdam is wat dat betreft al een juweeltje. De bas zingt weelderig en vol, en de technische brille van Overwater is op de millimeter nauwkeurig te volgen.
Zijn muzikaliteit verhoogt het luistergenoegen. Hij biedt sobere interpretaties van zeer uiteenlopend repertoire. Stukken van avant-gardisten als Sunny Murray en Dave Burrell, traditionele werken van Harald Arlen, of liedjes van popster Alanis Morisette, het maakt hem niet uit. Als het maar mooie melodieën zijn. Ineens klinkt It was a very good year; de door Frank Sinatra bekend geworden compositie van Ervin Drake. De flits van herkenning overheerst maar even: het stuk past in de opbouw van de cd. En daar moet je toch een grootmeester voor zijn; om met zulke summiere middelen als Overwater aanwendt, zo'n eenduidig stempel te drukken op composities die van zichzelf al allemaal zeer sterk zijn. Want anders zouden ze niet eens op de cd stààn. Een contradictie, die alleen de allerbeste musicus aankan.
Niet alleen Overwater maar ook Honing en Ornstein zijn dat. Laatstgenoemde is nog de frivoolste van het gezelschap, maar dan in de zin van wat in de jaren '50 cooljazz werd genoemd. Hij heeft (op tenor) wel iets van de lichtvoetigheid van Stan Getz, maar vooral ook van de intensiteit van een Tristano. Een riedeltje is nooit zomaar een opvulling; het is een klauw die je bij het nekvel pakt en mee de muziek insleurt: luisteren jij!
Een vergelijking tuisen de beide blazers wordt een beetje uitgelokt doordat beiden Somewhere over the rainbow spelen. Zo'n simpel liedje en zo mooi. En Honing doet er eigenlijk helemaal niks mee. Hij speelt het alleen maar. En toch, en toch. Wat een kracht, wat een overtuiging, wat een magie. Hier schieten woorden van een recensent tekort.
Het is de intense muzikaliteit, de vertelkunst, het geloof in zichzelf, dat deze muziek zo ontroerend mooi maakt.
© Jan Rensen, 24 juni 1999