JOHN
PATITUCCI - NOW (Concord Jazz)
John Patitucci is de bassist van
Chick Corea. En dan met name van Corea's elektrische trio (uit de tijd
dat de pianist er twee trio's op nahield; een akoestistisch en een electrisch).
Van die naam komt Patitucci naar ik vrees nooit meer los. Tenzij
hij zelf een aantal meesterwerken gaat maken.
Daartoe doet hij vreselijk zijn
best, getuige de nieuwe cd Now, waarop hij nota bene ook de akoestische
bas bespeelt, maar geslaagd is hij nog niet. De kracht van dit album moet
namelijk vooral van de beide saxofonisten Michael Brecker en Chris Potter
komen, en van gitarist John Scofield. Pas helemaal aan het einde treedt
de bassist zelf naar voren. Eerst in een boeiend trio met drums en gitaar,
dan in een intrigerend duet met drummer Bill Stewart in John Coltrane's
Giant Steps, en vervolgens in een solo-uitvoering van zijn eigen compositie
Miya. Op alle drie de tracks speelt Patitucci dan alweer de elektrische
(zessnarige) bas. Kennelijk voelt hij zich met dat instrument toch het
meest vertrouwd.
Voor het zover is heeft de luisteraar
dan al bijna een uur voortreffelijke jazz gehoord. Dat kan ook haast niet
anders natuurlijk, met zo'n stel gerenommeerde musici. Over de kwaliteiten
van Michael Brecker is vriend en vijand het nu wel eens; de jonge Chris
Potter treedt zelfbewust in diens voetsporen. Voor de goede orde: op niet
een track spelen ze samen. Brecker speelt in twee nummers, Potter in vijf
andere.
Het meest boeiende aspect van de
cd is het samenspel tussen John Scofield en de beide blazers. Met Brecker
heeft de gitarist al in verschillende combinaties gewerkt en het resultaat
daarvan is een mooie interactie, die heel evenwichtig verloopt. Zeker in
de ballad Hope lijken de twee elkaars bedoelingen te kunnen raden, en duiken
er nu en dan plotsklaps bijna unisono gespeelde lijnen op. Met Potter is
het nog wat meer aftasten, maar in plaats van dat op een voorzichtige en
dus veilige manier te doen, daagt Scofield de tenorist steeds opnieuw uit.
Potter laat dat niet op zich zitten en reageert fel en even gedurfd.
Zeker in die fasen (maar ook wel
in samenspel met Brecker) is nog weer eens goed te horen wat voor enorme
ontwikkeling John Scofield heeft doorgemaakt. En dan bedoel ik niet zozeer
de kwaliteit van zijn spel, maar vooral zijn opvatting. Voorheen, zeker
in de periode kort na zijn samenwerking met Miles Davis, liet hij zich
kennen als een gelikte muzikant; veel machtsvertoon op de vierkante millimeter
maar daarmee inhoudelijk nietszeggend; technisch knappe maar overigens
slappe fusion.
Maar de laatste jaren is hij voortdurend
op zoek naar de grenzen van zijn melodische en harmonische mogelijkheden.
En gaat zelfs een stap verder door met buiten harmonieën tredende
klanken te experimenteren. Zijn tamelijk recente Verve-album A
Go Go (met begeleiding van het trio Medeski, Martin & Woods) was
daar al een imponerend voorbeeld van. Ook op deze cd komen af toen rare
geluiden uit zijn gitaar. Maar hoe raar ook, ze passen logisch in de door
hemzelf uitgetekende patronen, die op hun beurt weer een even uitdagende
als natuurlijke plek hebben in het geheel van de muziek op het album. Een
geheel dat tegenwoordig wel akoestische fusion wordt genoemd, maar dat
in avontuurlijkheid toch een stuk verder gaat dan in fusion ooit voor gepast
werd gehouden.
©
Jan Rensen, 3 september 1998