Over de doden niets dan goeds.
En dus verschenen vorige week bij het overlijden van Michel Petrucciani
lovende necrologieën in alle kranten; alsof een der grootste pianisten
van deze eeuw was heengegaan. Ik wil niet cru zijn, maar volgens mij was
het grootste deel van zijn roem gebaseerd op het gegeven dat hij bij uitstek
niet groot was. Als hij geen onvolgroeide dwerg was geweest, als saxofonist
Charles Lloyd hem aan het begin van zijn carrière niet steeds zo
pathetisch het toneel had opgedragen, als hij sindsdien niet steeds met
dat kleine gedrongen lijf van hem op de aangepaste pianokruk moest klauteren,
zou hij in de zee van jazzpianisten nooit zijn opgevallen. Dat misgun ik
hem niet, maar we moeten het ook niet mooier maken dan het is.
Zijn eind vorig jaar uitgebrachte
live-cd Solo toont dat nog eens duidelijk aan. Zijn spel is tamelijk
houterig, hij ontbeert oorspronkelijke originaliteit, en is technisch verre
van een wonder. Sterker, hij mist nogal eens een toets.
Wat hij wel heeft, en dat
spreekt zonder twijfel veel mensen aan, is een aanstekelijk gevoel voor
romantiek. Hij zwelgt nu en dan in zijn eigen muziek; net geen kitsch,
net niet bombastisch, maar wel heel veel dramatiek. Heel veel clichés
ook, maar die passen wel in het soort toegankelijk dat hij nastreeft. Het
enige wat echt apart aan hem is, is het wonderlijke ritmepatroon. Maar
ik kom er niet achter of ook dat een gebrek aan het juiste gevoel is, of
een bewuste keuze om toch maar al die platitudes niet al te clichématig
te laten klinken.
Van het spelen van clichés
kan het Van der Grinten/Herman Quartet in ieder geval niet beschuldigd
worden. Als ze überhaupt al ergens van beschuldigd kunnen worden,
want de cd Lost Languages - In Sad Seranades & Jocular Jazz (A Records
AL 73144) is een groot feest van originaliteit. ,,Er zijn bands die het
moeten hebben van het repertoire en er zijn bands die het moeten hebben
van de individuele muzikale inbreng van elk der leden. Wij behoren tot
die laatste categorie.'' Dat zeggen gitarist Maarten van der Grinten en
saxofonist Benjamin Herman zelf over hun eigen kwartet. En gelijk hebben
ze.
Van het repertoire moeten
ze het in die zin niet hebben dat hun repertoire niet in een categorie
is onder te brengen. Het springt van fake-dixie naar klezmerachtige deuntjes,
van een oude jazzballad naar een ode aan Herman Schoonderwalt; als een
grove collage maar het zijn de musici die er eenheid in aanbrengen. En
tegelijkertijd ook weer variëteit want alleen het feit al dat bassist
Jos Machtel even makkelijk tuba als schuiftrombone speelt maakt dat elk
nummer weer totaal anders is van het vorige.
Dit album draagt de titel
van de roman van David Leavitt - Lost Language of Cranes - over
de kleine kraanvogel die in de steek gelaten door zijn ouders over de wereld
vliegt, van alles vreemds tegenkomt en zijn eigen taal ontwikkelt analoog
aan de geluiden van de machinerie die hij hoort. ,,Zoals Europese jazzmusici
ook overal vandaan wat meepikken om hun eigen taal te creëren.''
Het aansprekende van de
cd is de diepe overtuiging die de musici in hun werk leggen; hun lotsverbondenheid
met de muziek, de pracht van de melodie, de grap van het ritme. Alleen
die intentie kan een album dat zozeer alle kanten uitspringt tot een mooi
en soms ontroerend geheel maken.
©
Jan Rensen, 14 januari 1999