TIM ARMACOST - Live at Smalls (Double Time Records)
STEVE WILSON - Generations (Stretch)
Tim Armacost is volgende week weer in Nederland. De sopraan- en tenorsaxofonist die jarenlang in Amsterdam woonde en de Nederlandse jazz verrijkte met een individuele stem woont alweer enige tijd in New York maar laat zich toch zeker een keer per jaar hier horen. De bandjes die hij daarvoor meeneemt worden steeds exquiser. Nu met pianist Bruce Barth, bassist Ray Drummond en bassist Billy Hart. Vanavond is hij vlak bij in Nick Vollebregt's Jazzcafé voor de rechtstreekse uitzending van TROS Sesjun, zaterdag in het Amsterdamse BIM-huis.
Armacost stuurde alvast zijn nieuwe cd Live at Smalls vooruit, waarop zijn vorderingen weer eens duidelijk hoorbaar zijn. Hij is daarop trouwens met een andere formatie te horen: trompettist Tom Harrell, pianist Jonny King, bassist Gerald Cannon en drummer Shingo Okudaira. De setting is duidelijk die van een gemiddeld hardbop-quintet, inclusief de composities die worden gehanteerd (deels van eigen hand maar ook Hank Mobley's Hank's other Bag, en Henry Mancini's Whistling Away the Dark). Maar zodra het thematisch materiaal wordt verlaten treedt een grote en eigentijdse individualiteit naar voren.
De leider zelf is vooral gretig. In eerste instantie komt me dat merkwaardig over, want in zijn stilistische keuzes doet hij me erg denken aan Dexter Gordon, die juist zo enorm relaxed speelde. Wat Armacost met hem echter gemeen heeft is de timing achter de tel en de manier waarop akkoorden opeengestapeld worden. Die zijn dan vervolgens wel moderner dan die van Gordon, dus verwarring is uitgesloten, maar de aanpak komt even aangenaam over. Treffend wordt het in de ballad Whistling Away the Dark.
Tom Harrell is op bugel en trompet de laatste tijd wel op erg veel platen te horen. Het is een man die zich makkelijk laat inhuren om enig naamsgewicht aan een cd te geven. Dat is een linke manier van werken want je naam kan ook aangetast worden door teveel opnamen met middelmatige musici. Maar kennelijk heeft Harrell op de eerste plaats het talent kieskeurig te zijn (hij speelt wel met veel onbekende maar nooit middelmatige musici) en hij is bovendien altijd voldoende gemotiveerd om zelf het allerbeste te geven, en daarmee inderdaad de opname te verrijken. Op dit album is een prachtig tegenwicht tegenover de felle sax. Het mooie ronde geluid en de buitengewoon zuinige en gecontroleerde manier van spelen zijn soms weldadig. De naam Jonny King moeten we trouwens ook onthouden.
Een jonge saxofonist die wel wat van Armacost weg heeft is Steve Wilson. Die maakte voor Chick Corea's label Stretch het album Generations, met het fantastische begeleidingstrio Mulgrew Miller (piano), Ray Drummond (bas) en Ben Riley (slagwerk). Vooral op sopraan bevalt Wilson me zeer. Hij heeft een beetje die schalmei-achtige klank die Coltrane ook had. Dat hij ook op andere momenten geregeld aan Trane doet denken is misschien ook wel meteen de makke van de blazer; hij treedt in een voetspoor waarin al zovelen voor hem zijn getreden. En waar Harrell juist zo uitblinkt, daar blijft het vernoemde fantastische trio achter: het speelt nogal plichtmatig. Dat maakt de cd per saldo weliswaar buitengewoon beluisterenswaardig, maar echt iets bijzonders is het ook weer niet. Illustratief is het slotnummer, Billy Strayhorns Chelsea Bridge dat een slap soort latinsausje meekrijgt en daarmee van alle authentieke schoonheid wordt ontdaan.
© Jan Rensen, 26 november 1998